We hebben een serieus probleem
Ik maak langzaamaan wat vorderingen in mijn leesproject. We hebben een serieus probleem. Waarom hou ik van Menno Wigman én Jeroen Mettes? Waarom kan ik veel minder met, bijvoorbeeld, Radna Fabias? Ik moet tegen wil en dank gaan toegeven dat ik, ookal beschouw ik mezelf als weldenkend en dus vanzelfsprekend anti-racistisch en pro-feministisch en wat dies meer zij, toch wel heel erg een witte man ben. En welbeschouwd best wel hetero, natuurlijk niet echt, maar toch. Ik hou bovendien van satire -- te veel?
Ik zit momenteel in mijn Mettes era (mijn slut era heb ik net afgerond). Ik heb nu even geen tijd voor Anxiety of Influence, dat komt later wel, als ik bijvoorbeeld over mijn Anxiety of Irrelevance heen ben en zo. Ik heb verder nog geen vat op Jeroen Mettes als blogger noch Jeroen Mettes als dichter, dus ik kan daar inhoudelijk weinig over zeggen, behalve dat zijn werk me mateloos fascineert. Dat stelt me evenwel voor een serieus probleem. Ik dacht dat ik eigenlijk wel iets met Vorm wou, en ik had het ook nog over mijn afkeer voor een louter deconstructieve (negatieve) poëtica. Dat is het werk van Jeroen Mettes toch respectievelijk een beetje juist niet en juist wel, denk ik. Menno Wigman vormt een tegenpool op veel manieren. Wigman troost en ontroert. Brengt orde aan in chaos in plaats van chaos in orde. Maakt iets moois van wat lelijk leek. Toch prijkt hij ook in de boekenkast van Arno van Vlierberghe, een Vlaamse experimentele dichter. We zijn ook maar mensen. Maar intussen ben ik wel in een poëticale impasse beland.
Ook al zoiets met le wokisme (neutrale term). Kan ik aan mijn witte, biseksuele heteromannelijke perspectief ontkomen? Wil ik überhaupt vanuit een perspectief schrijven, is dat wenselijk? Onontkoombaar? Is mijn ironic disavowal van seksisme doormiddel van bepaalde grapjes niet juist de voorwaarde om er op bepaalde hoogte naar te blijven handelen, zoals Zizek zo ongeveer ergens (overal) stelt? Hou ik niet óók van Jeroen Mettes -- laat staan Menno Wigman -- omdat ik (witte, mannelijke) herkenning vindt in zijn perspectief? Hoe erg en/of onvermijdelijk is dat?
Ik hoop dat ik een essay mag schrijven over Jeroen Mettes, naar aanleiding van zijn prozagedicht N30 en de kritische receptie daarvan. Natuurlijk mag dat, maar ik bedoel, ik hoop dat ik er ook EC's voor kan krijgen. Ik ben lui.
Problemen! Maar goed ook, anders was ik verveeld dus veel te veilig en verloren voor de poëzie. Ik denk dat ik Habitus ook nog maar een tweede en derde keer ga lezen. Slecht is de bundel niet, dat bedoel ik in ieder geval niet. Maar. We hebben een serieus probleem. Echt.
Comments
Post a Comment